Log in om toegang te krijgen tot het magazine
Bezoek ook eens onze website(s) en Social Media.
Vul een zoekterm in om te zoeken binnen alle publicaties.
Log in om toegang te krijgen tot het magazine
Tekst Ralph Mens
Beeld Hans Neefjes
De laatste jaren komen er steeds meer nieuwe methoden op de markt om Japanse duizendknoop te bestrijden. Maar hoe maak je als groenbeheerder of terreineigenaar een keuze tussen al die verschillende methoden? Christel Tijhuis van bureau Christel! adviseert gemeenten en terreinbeherende organisaties over welke methode het beste past bij hun situatie. „Uiteindelijk draait het allemaal om maatwerk.”
Volgens Tijhuis begint het al met het soort organisatie. „Er is een groot verschil tussen een terreinbeheerder en een gemeente. Dat heeft te maken met de aard van de werkzaamheden. In een woonwijk kun je prima een stuk grond afzetten waar je vaker langskomt om Japanse duizendknoop te bestrijden. Langs een provinciale weg is het echter niet gewenst om iedere twee weken de weg af te zetten. Daar moet je rekening mee houden bij de vraag welke methode het beste past.”
Een ander verschil zijn de budgetten waarmee gewerkt wordt. „Bij een gemeente moet je eerst kijken hoe de samenstelling van de raad is, en hoeveel geld men uit wil trekken voor bestrijding.”
Voorheen waren invasieve exoten maatschappelijk nog vrij onbekend. Tijhuis ziet echter dat exotenbestrijding bij de meeste gemeenten inmiddels wel op de agenda staat. „De laatste vijf-zes jaar is er meer aandacht voor, maar niet elke gemeente heeft geld voor bestrijding. Als er geen geld is, kun je de Japanse duizendknoop beter met rust laten. Gemeentes moeten natuurlijk keuzen maken waar ze hun geld aan uitgeven.”
Grote terreinbeheerders weten volgens Tijhuis al langer wat er speelt. „Ze hebben zelf een aanpak en beleid ontwikkeld, en werken hier al langere tijd mee. Wel kijken ze naar nieuwe methoden, om te zien of deze efficiënter zijn qua bestrijding.”
Wat ook meespeelt bij de vraag welke methode het beste is, is de grondsoort. „Het maakt veel verschil of je op zand of op kleigrond zit. In Amersfoort, waar ik de bestrijding coördineer, zitten we op zandgrond. Daarom kiezen we ervoor de duizendknoop uit te graven en de grond te zeven.”
Wat betreft alle nieuwe methoden die op de markt komen, stelt Tijhuis dat het nogal uitmaakt of je deze ter plaatse inzet of in een depot. „Er zijn allerlei methoden die de duizendknoop effectief bestrijden, bijvoorbeeld door de bodem te bevriezen of te verhitten, maar in het veld heb je te maken met diverse factoren. Bijvoorbeeld of er bomen in de buurt staan, die kunnen namelijk ook beschadigd worden door deze methoden.”
De vraag is hoe je als gemeente of terreinbeheerder begint wanneer je een exoot als Japanse duizendknoop wilt aanpakken. Hiertoe doorloopt Tijhuis een beknopt stappenplan. „Stap 1 is om in kaart te brengen wat er in de gemeente of het gebied staat. Als er geen budget is en de duizendknoop op een plek staat waar het eigenlijk geen kwaad kan, dan kun je het beter met rust laten. Stap 2 is de vraag: ’hoe urgent is het probleem?’ Hierbij moet je goed naar het verspreidingsrisico kijken. Als de duizendknoop in de buurt van een speelplek voor kinderen staat, dan heb je groter risico op verspreiding van de plant. Dan kun je beter actief bestrijden.”
Doordat mensen zich meer bewust zijn van exoten als Japanse duizendknoop, zie je dat er ook meer meldingen bij gemeenten binnenkomen. Ook zijn er de horrorverhalen over huizen die onverkoopbaar raken doordat Japanse duizendknoop de funderingen heeft aangetast.
Tijhuis: „Gemeenten werken veelal meldinggestuurd; beheerders komen in actie als er een plek wordt doorgegeven of een schade wordt gemeld. In de praktijk zijn er twee situaties waarbij veel gemeentes ervoor kiezen om op te treden. De eerste is als er kapitaalgoederen van de gemeente worden aangetast, de tweede als de exoot vanaf gemeentelijke grond naar particulier terrein doorgroeit.”
Bestrijden blijft maatwerk in de praktijk
Als eenmaal is besloten om tot bestrijding over te gaan, rest de ’hoe’-vraag. „Dat is geen makkelijke vraag. Het beste is een systematische aanpak, waarbij je begint met inventariseren op welke plekken de plant groeit. Welke methode je vervolgens kiest, hangt van veel factoren af. Zoals gezegd is dit erg afhankelijk van de plek, maar dus ook van het budget dat je hebt en van de politieke kleur in de gemeente.”
Maaien als bestrijdingsmethode raadt Tijhuis sowieso altijd af. „Dat doet meer kwaad dan goed; hoe vaker je maait, hoe harder de plant groeit. Daarbij is de kans op verspreiding groot bij maaien. Het lijkt een goedkope oplossing want je ziet de plant niet meer, maar als je geen geld hebt kun je de plant beter met rust laten. Als de plant op een plek staat waar de verkeersveiligheid in het gedrang is, dan kun je ervoor kiezen om alleen die takken af te knippen die overhangen.”
Volgens Tijhuis is de complicatie bij methoden zoals bevriezen of verhitten, dat je niet precies weet tot hoe diep je in de grond moet gaan. Ook zijn de deze methoden niet goedkoper dan bijvoorbeeld afgraven. Omdat je toch vaak al moet graven om te bepalen hoe diep de wortels zitten, kun je volgens de adviseur dan ook beter kiezen voor helemaal afgraven. „Dat is het snelste, want dan ga je naar nul zonder restrisico of herhaling van de behandeling.”
Tijhuis benadrukt dat bij alle methodes geldt dat je na behandeling de plekken tenminste drie jaar, maar liever vijf jaar een aantal keer controleert in het groeiseizoen. Achtergebleven plantjes en wortels kunnen dan snel en vaak gemakkelijk weggehaald worden. Resten laten zitten, betekent dat de planten uiteindelijk gewoon weer terugkomen en alle investeringen voor niets zijn geweest.
Belangrijk is volgens Tijhuis dat gemeenten of terreinbeheerders niet rücksichtslos aan de gang gaan met een bepaalde methode. Daarom is het goed om bijvoorbeeld gebruik te maken van een beslisboom zoals die van Probos (zie kader). „Dit is een goede aanvulling op beheer en beleid. Zo breng je in kaart met welke aspecten je rekening moet houden.”
Tijhuis is ook een van initiatiefnemers van het Kennisnetwerk Invasieve Exoten. Hier wordt kennis over bestrijding van exoten gebundeld en gedeeld. „Het kennisnetwerk heeft geen voorkeur voor een bepaalde methode, behalve dan voor chemievrij. Het belangrijkste is dat de informatie op de website is gevalideerd. Van de aannemers vragen we om te laten zien hoe hun methode werkt en wat de effectiviteit ervan is. Er is al heel veel kennis bij gemeenten en terreinbeheerders, het is belangrijk dat die kennis wordt gedeeld en niet iedereen het wiel opnieuw hoeft uit te vinden.”
Naast Tijhuis zijn ook Probos en de WUR betrokken bij het Kennisnetwerk Invasieve Exoten. Het netwerk wordt verder door Stadswerk en een aantal gemeenten en provincies gefinancierd.
Tijhuis: „Het is goed dat er toolboxen zijn en diverse methoden waar organisaties uit kunnen kiezen. Maar het blijft maatwerk in de praktijk. Ook zien we door de jaren dat het probleem beheersbaar is geworden, er is minder sprake van paniekvoetbal. Het is beter eerst een goed plan te maken dan om direct aan de slag te gaan. Zorg dat je een plan hebt waar je op terug kunt vallen, en dat je antwoord kunt geven op vragen van burgers en bedrijven. Weet welke risico’s je loopt, maar haal de paniek eruit.”
De beslisboom bestaat uit de volgende onderdelen: a Mijn gebied is duizendknoopvrij. Hoe houd ik mijn gebied duizendknoopvrij? b Er komt duizendknoop voor in mijn gebied. Wat nu?De opzet en inhoud van de beslisboom is voorgelegd aan een panel van potentiële gebruikers uit de doelgroep en ervaringsdeskundigen met de bestrijding van en het voorkomen van verdere verspreiding van duizendknoop. Dit om te toetsen of de beslisboom aansluit op de vragen en kennisbehoefte uit de praktijk, en zodat gebruik kan worden gemaakt van de reeds bestaande ervaringen.
Externe Links
Vorige Edities
Colofon
Nieuwsbrief